Terug naar Tresoar
Minuutplans – hun ontstaansgeschiedenis

Na de definitieve inlijving in 1810 van het Koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk werden de bestaande Franse wetten en bestuurlijke maatregelen ook in ons land van kracht. Daaronder vielen een aantal voorschriften gericht op een uniforme belastingwetgeving voor het hele keizerrijk, gebundeld in de reeds in 1808 in Frankrijk ingevoerde Recueil Méthodique.
Omdat de bestaande registraties in de Hollandse departementen niet aan de eisen van het Recueil voldeden, werd hier bij keizerlijk decreet in 1811 de kadastrering naar Franse snit officieel ingevoerd.
Aanvankelijk was de primaire doelstelling van het Kadaster het leveren van betrouwbare gegevens voor de heffing van een uniforme grondbelasting. Daarom is het logisch dat het Kadaster vanaf zijn ontstaan ressorteerde onder het ministerie van Financiën. Daarnaast was de invoering van het Kadaster bedoeld om de rechtszekerheid ten aanzien van goederen te bevorderen. Aanduiding van ieder perceel met unieke kadastrale kenmerken moest hiervoor borg staan.

De werkzaamheden begonnen in 1812. Ten behoeve hiervan verscheen in Nederland een tweetalige editie van het Recueil, de Méthodique Verzameling. Dit gedetailleerde boekwerk fungeerde als handleiding voor het opzetten van het Kadaster en was doortrokken met Franse termen, iets wat we op de minuutplans overal terugvinden.
De Franse voorschriften voor kadastrering bleven na de val van Napoleon onder het bewind van koning Willem I gewoon van kracht. Tot 1825 verliep de kadastrering zeer traag. In dat jaar kwam het proces echter in een stroomversnelling vanwege de geplande invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek waarin de grondboekhouding met hypothecaire boekhouding was verbonden. De met de leiding van de kadastrering belaste staatsraad J.P.E. Gericke deed vanaf december 1825 tot en met december 1831 liefst 111 circulaires uitgaan met instructies, aanvullingen, nadere uitwerkingen of correcties op de Méthodique Verzamelin, bijeengebracht in de Verzameling van Algemeene Instructiën en Circulaires [...] betreffende de uitvoering van het Kadaster sedert 1e January 1826. Ook deze circulaires zijn voorzien van modellen.
Door uitbreiding van het aantal landmeters en een eenvoudiger wijze van kartering probeerde men de voltooiing van de kadastrering te bespoedigen. De minuutplans, die tijdens de inhaalslag tussen 1826-1831 zijn vervaardigd, zijn dan ook van mindere kwaliteit dan de daarvóór gereedgekomen exemplaren. Op 1 oktober 1832 trad het Kadaster formeel in werking.

 

Minuutplans – hun legenda

De betekenis van het woord ‘minuutplan’is als volgt. ‘Plan’ is de kadastrale term voor kaart, ‘minuut’ betekent in deze context oorspronkelijke of eerste. De minuutplans zijn unieke exemplaren, waarvan er maar één bestaat. De oorspronkelijke stukken mochten na de start van het kadaster niet meer gewijzigd worden, dat mocht alleen nog op de zogenaamde bijbladen.
Tot de minuutplans behoren a) de verzamelkaart van de gehele kadastrale gemeente, die een overzicht geeft van de indeling in secties en kaartbladen. Ze bevat begrenzing, naam en letteraanduiding van de secties en de eventuele onderverdeling van de secties. Meestal bestaat het verzamelplan uit één blad;
en b) de perceelskaarten per sectie. Deze perceelsgewijze minuutplans geven de ligging en de begrenzingen weer van de afzonderlijke percelen, die elk van een uniek nummer zijn voorzien.
De minuutplans zijn getekend aan de hand van de veldwerken van de landmeters. De standaardschaal was 1:2500; voor steden met dichte bebouwing gebruikte men 1:1250; voor gebieden met weinig bebouwing werd doorgaans 1:5000 aangehouden.
Omdat de kadastrering uitgaat van sectiegrenzen, die niet rechtlijnig zijn, kregen de minuutplans het karakter van eilandkaarten. Bovendien is de noord-oriëntatie van de plans afhankelijk van de vorm van de secties en daarom afwijkend van wat wij tegenwoordig op kaarten gewend zijn. Per kaart wordt de oriëntatie aangegeven.

Behalve de lijnen, die de perceelsgrenzen en de omtrek van gebouwen aangeven, staan er nog een aantal dunne lijntjes op het minuutplan. Deze zijn onderdeel van een coördinatenstelsel in de vorm van een netwerk van vierkanten, in de kadastrale terminologie ‘ruiten’ genoemd. De noord-zuidlijn en de oost-westlijn die door de oorsprong van het driehoeksnet lopen, zijn in rood getekend. De overige lijnen lopen hieraan evenwijdig.
Om de kaarten leesbaarder te maken werden sommige percelen ingekleurd: huizen (particuliere gebouwen) met lichtrood (karmijn); wegen met bruin (gebrande sienna); wateren met blauw (ultramarijn); kerken met kobaltblauw; dijken en kaden met uitgewassen grijs. Gemeentegrenzen kregen een streep-punt-lijn en een paarse uitwassing; sectiegrenzen een groene uitwassing en bladgrenzen een gele of oranje bies.
De minuutplans zijn voorzien van een ovaal met daarin de naam van de gemeente, de sectie-aanduiding, het bladnummer met vermelding van de perceelnummers die op dat blad staan en tot slot de eigenhandige ondertekening door de verantwoordelijke landmeter. Alleen de verzamelplans zijn gedateerd. De minuutplans werden getekend op papier van het standaardformaat van 67 bij 100 cm., het zogenaamde dubbel-olifantsformaat. Na het intekenen van de percelen en de markeringen kreeg ieder perceel een uniek kadastraal nummer. De nummering begon per sectie zoveel mogelijk bij het meest noordelijke punt; vervolgens werd per blok percelen naar het zuiden toegewerkt. Voor veel secties was het nodig de intekening te verspreiden over meerdere minuutplans. De perceelsnummering loopt onafhankelijk daarvan door. Eigendommen van de overheid waren vrijgesteld van belastingheffing en zijn daarom meestal als ongenummerd op de kaart aangegeven. Ook de erkende kerkgenootschappen waren vrijgesteld, maar de percelen in hun bezit zijn wel van een nummer voorzien.
Als alle minuutplans van een gemeente getekend waren, werden zij ter controle naar de ingenieur-verificateur gestuurd, die de metingen controleerde. Hiervoor zette hij lange meetlijnen uit, de zogenaamde verificatielijnen, en bepaalde de totale lengte daarvan. De resultaten werden vergeleken met de maten op het plan. De verificatielijnen zijn als dunne lijntjes nog terug te vinden op de minuutplans. Het administratieve proces werd tenslotte afgerond met de berekening van de oppervlakte van de percelen en de samenstelling van de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (de OAT’s).

Bronnen:
- Kadastrale atlas 1832. Deel II Dalfsen, [red.: H. Bordewijk ... et al.] (Zwolle : Stichting Kadastrale Atlas Overijssel 1832) 3-10.
- HisGis Utrecht